zes

Ze heette juffrouw van der Ploeg. Ze was een vrouw zoals ze nu niet meer bestaan. Een werkvrouw. In mijn herinnering droeg ze een gebloemd schort. Ze was klein, stevig, oud en ze werkte hard. Wie ze echt was kwam je niet te weten. Ze wist het zelf misschien ook niet. Ze was juffrouw van der Ploeg en ze werkte hard. Boenen, schrobben, de was doen, het zware werk. Een man had ze niet, ze was immers juffrouw. Kinderen dus ook niet. Die tijd.

Juffrouw van der Ploeg was, zoals gewoonlijk, vroeg gekomen. Ze zal gehoord hebben dat ik jarig was. Zes. Ze zal geschrokken zijn. ‘Wat moet ik’, zal ze gedacht hebben. Aan de andere kant van het pleintje was de winkel van bakker Moedt. Bakker Moedt, plak stoet. Ze ging erheen, ik stel me zo voor dat ze vroeg: wat heeft u allemaal. Nou, mevrouw Moedt had wel het een en ander. Gevulde koeken, negerzoenen… Doe maar, zei juffrouw van der Ploeg. Mevrouw Moedt deed er tien in twee zakjes, zette ze op de toonbank en zei wat het kostte. Juffrouw voelde in haar schortzak. Een papieren gulden. Het was ruim voldoende. Ze kreeg een paar dubbeltjes terug, die weer in de schortzak verdwenen. Opgelucht was ze, ze stond niet met lege handen.

Ik werd zes, ik was klein en het was tien over acht. Klaar om naar school te gaan, net een paar weken in de eerste klas. Jarig, met een zak traktaties, voor de kinderen en de juf. Voor het eerst. En opeens stond daar juffrouw van der Ploeg. Ze keek zoals ik niet van haar gewend was. Ze keek me aan. Ze straalde. In beide handen had ze een papieren zak. Ze strekte haar korte stevige werkarmen uit naar mij. Ik week een beetje achteruit, dat ging vanzelf. Ik was haar niet gewend. ‘Kijk’, ¬†zei ze, ‘voor je verjaardag. Negerzoenen, tien’.

‘Die lust ik niet’, schijn ik gezegd te hebben, ‘eet die zelf maar op’. Ik was jarig, ik moest naar school. Voor het eerst van mijn leven zou ik toegezongen worden. Ik mocht de kinderen en de juf¬†trakteren. Juffrouw van der Ploeg kon ik er niet ook nog eens bij hebben. Negerzoenen. Tien.

 

Reageren is niet mogelijk